Hoofdstuk 4: ONDERWIJS EN LEREN

 

T.a.v. het onderwijsleerproces onderscheidt de school doelen op het gebied van het leerstofaanbod, de leertijd, het pedagogisch klimaat, het didactisch handelen, het schoolklimaat, het toetsen van leerlingen en de leerlingenzorg.

 

4.1 De onderwijskundige doelen

 

Onze onderwijskundige doelen als School voor Speciaal Basisonderwijs zijn in de eerste plaats de doelstellingen zoals die in artikel 8 van de Wet op het Basisonderwijs zijn omschreven:          

 

Artikel 8.:

1. Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat de leerlingen een ononderbroken ont-
    wikkelingsproces kunnen doorlopen. Het wordt afgestemd op de voortgang in de

    ontwikkeling van de leerlingen.

2. Het onderwijs richt zich in elk geval op de emotionele en de verstandelijke ont-
    wikkeling, en op het ontwikkelen van de creativiteit, op het verwerven van de
    noodzakelijke kennis en van sociale, culturele en lichamelijke vaardigheden.

3. Het onderwijs gaat er mede van uit dat de leerlingen opgroeien in een

     multiculturele         samenleving.

4. Ten aanzien van leerlingen die extra zorg behoeven, is het onderwijs gericht op

    individuele begeleiding die is afgestemd op de behoefte van de leerling.

 

 

Het (Speciaal) BasisOnderwijs, bestemd voor kinderen vanaf vier jaar, is dus verplicht zich te richten op:
- de emotionele ontwikkeling

- de verstandelijke ontwikkeling

- het ontwikkelen van de creativiteit

- het verwerven van noodzakelijke kennis

- het verwerven van sociale vaardigheden

- het verwerven van culturele vaardigheden

- het verwerven van lichamelijke vaardigheden.

Als SBO interpreteren wij dit als volgt.

In de Wet op het Primair Onderwijs  wordt gesproken over de emotionele ontwikkeling en het verwerven van sociale vaardigheden.

Wij kiezen voor de term sociaal-emotionele ontwikkeling. Onder sociaal-emotionele ontwikkeling wordt verstaan, dat de kinderen leren omgaan met elkaar en de anderen.

Aspecten van sociaal-emotionele ontwikkeling:
a. het samenwerken, het samen spelen, het samen kunnen delen, hulpvaardig zijn
b. respect hebben voor elkaars mening en inbreng
c. elkaar de ruimte geven om zelfontdekkend bezig te zijn
d. het kunnen oplossen van conflictsituaties
e. het kunnen inleven in gevoelssituaties
f.  anderen accepteren en respecteren in hun anders zijn
g. een gevoel van saamhorigheid.

 

De verstandelijke ontwikkeling.

De school stimuleert vaardigheden als kritisch vermogen, zelfredzaamheid, solidariteit. Kennis is deels resultaat van eigen ervaringen opgedaan via bestaansgerichte activiteiten, deels overgedragen.

Door het laten ervaren van bestaangerichte activiteiten en het aanbieden van kennis worden de leerlingen voorbereid op de (steeds) veranderende maatschappij. De school begeleidt deze bestaangerichte activiteiten en leerprocessen van de kinderen en geeft er vorm aan.

Voorbeelden hiervan zijn: het bezoeken van de markt, het samen voorbereiden en genieten van maaltijden, het maken van excursies waarbij Openbaar Vervoer een rol speelt, fietstechniek, projecten kort bij het leven van alle dag.

 

Het ontwikkelen van de creativiteit.

Creativiteit is niet alléén aangeboren, het kan ook ontwikkeld en aangeleerd worden.

Het ontwikkelen van de creativiteit omvat, in ieder geval, alle vak/vormingsgebieden.

Aspecten verbonden met de ontwikkeling van de creativiteit zijn onder meer het ontwikkelen van de creativiteit in ruimere zin:
    - zelfontdekkend bezig zijn
    - komen met eigen oplossingen
    - verschillende oplossingen vinden voor één probleem
    - experimenteren
    - het toepassen van kennis en vaardigheden in uiteenlopende situaties

     - het ontwikkelen van creativiteit in de zin van de expressievakken.

 

Het verwerven van de noodzakelijke kennis.

In de huidige maatschappij veroudert kennis snel.  De kennis van de leerlingen moet functioneren in de samenleving van morgen.

 

Het verwerven van culturele vaardigheden.

Onder culturele vaardigheden wordt verstaan: luisteren, spreken, schrijven, rekenen, gezond gedrag en sociale redzaamheid.

Daarnaast vinden wij het van belang, dat leerlingen:

- zich oriënteren op de maatschappij

- leren omgaan met anderen (respect kunnen opbrengen voor andermans ideeën,
  meningen, overtuigingen, levenswijzen, culturen).

 

Het verwerven van lichamelijke vaardigheden.

Het verwerven van lichamelijke vaardigheden is behalve doel op zich ook van belang voor de verstandelijke, sociaal-emotionele en lichamelijke ontwikkeling van de kinderen.

 

Andere onderwijskundige doelstellingen van onze school zijn:

- het leggen van een basis voor een vorm van voortgezet onderwijs, die past bij het

  niveau en de interesse van het kind;

- het betrekken van ouders bij de school.

 

Uiteraard zijn de kerndoelen ook de streefdoelen van onze school.

 

4.2 Onze onderwijsorganisatie;

 

SBO de Wissel heeft SBO gekozen voor een schoolconcept dat

  

1. gebaseerd is op pedagogische uitgangspunten.

2. uitgaat van bestaansgerichte doelen die bij het kind aansluiten.

3. ontwikkelingsvolgend is.

 

 We streven naar een aanpak die gericht is op de basisbehoeften van het kind;

 Autonomie, competentie en relatie.

 

 

 

 

ad 1. Pedagogisch gerichte besluiten en activiteiten m.b.t. het schoolconcept:

 

- De groepen worden ingedeeld op basis van ontwikkelings en belangstellingsniveau

  en niet op basis van didactische prestatie. De indeling op leeftijd benadert dit het

  meest.

- Zo veel mogelijk dubbele bezetting in groepen; kindkenmerken en pedagogische

  situaties maken dat veel directe persoonlijke gesprekken nodig zijn. Door dubbele

  bezetting kan het leerproces in de klassen doorgaan en kan een pedagogisch

  gesprek indien nodig meteen gevoerd worden.

- Binnen onze school werken we met drie clusters; onderbouw – middenbouw -

  bovenbouw. De groepen binnen eenzelfde cluster werken nauw met elkaar samen,

  zodat we onze leerlingen zoveel mogelijk onderwijs op maat kunnen bieden.

  We gaan minder uit van vaste aantallen leerlingen (werkt blokkerend voor de

  instroom), maar kijken meer wat leerlingen nodig hebben en stemmen daar de inzet

  van mankracht op af.

- In de middenbouw en in de bovenbouw werken we met parallelgroepen. (Groepen

  met gelijke leeftijdsverdeling)

  Dit systeem biedt de mogelijkheid om:

             * kinderen bij elkaar of uit elkaar te zetten;

             * te kiezen welk type leerkracht het beste bij het kind past;

             * zwaarte van de groep te verdelen;

             * gedurende het jaar indien noodzakelijk van groep te wisselen

- Eventueel noodzakelijke remedial teaching wordt niet apart gegeven doch krijgt

  vorm in het groepsplan dat in de klas wordt uitgevoerd.

- Dagopening en sluiting.

- Grote en kleine weeksluiting (zie schoolgids).

- Het jaarlijks inplannen van “projectdagen” voor de onderbouw en “schoolkamp” voor

  de midden- en bovenbouw. Invulling hiervan kan jaarlijks en per bouw verschillen.

- Het invoeren in de jaarcyclus van een inloopfase en uitloopfase.

 

 

Ad 2. Bestaansgerichte doelen.

 

SBO de Wissel vindt het belangrijk dat de stof die het kind krijgt aangeboden, aansluit bij de

vaardigheden en kennis die het kind in zijn latere leven nodig heeft.

Dat betekent dat keuzes moeten worden gemaakt t.a.v. welke sociaal- emotionele

vaardigheden en leerstof belangrijk zijn voor dit specifieke kind in zijn latere leven.

 

Bestaansgerichte visie betekent dat je over de huidige SBO-leerling gaat nadenken over

b.v.:

- Hoe belangrijk is spelling voor deze leerling? Als je het belangrijk vindt, welke stof
  moet je dan bij spelling deze leerling (met zijn eigen kansen en mogelijkheden)

  aanbieden.

- Hoe lang ga je hier mee verder als het niet tot de gewenste resultaten leidt?

- Wánneer besluit je op deze weg niet meer verder te gaan? Wat dan?

- Gaan we een rekenmachine gebruiken en wanneer?

- Welke onderwerpen van wereldoriëntatie zijn belangrijk voor onze kinderen? enz.

 

Ad 3. Ontwikkelingsgericht en ontwikkelingsvolgend onderwijs.

 

De leerkrachten hebben via studiedagen en excursies, kennis genomen van deze werkwijze.

Zij hebben ervaren dat het ontwikkelingsgericht onderwijs het beste aansluit bij onze doelgroep. Zij hebben besloten, onder begeleiding, met ingang van het schooljaar 2003-2004 verder te groeien in het ontwikkelingsgericht onderwijs. Parallel hiermee loopt op

het gebied van het leerlingenvolgsysteem en de leerlingenzorg de invoering van het ontwikkelingsvolgmodel.

 

Enkele principes van het ontwikkelingsgericht onderwijs:

 

- stemt het onderwijsaanbod af op de ontwikkeling van de leerling;

- probeert het onderwijsaanbod betekenisvol aan de leerlingen aan te bieden;

- werkt thematisch met onderwerpen die dicht bij de belevingswereld van de

  leerlingen staan.

- biedt leerlingen de kans verantwoordelijkheid te dragen voor hun leerproces.

- richt zich steeds op de naast gelegen zone van de ontwikkeling zowel pedagogisch

  als didactisch.

- maakt leerlingen nieuwsgierig.

- gaat uit van een positieve mensvisie;

Het kind is goed zoals het is. Het is geen kind met gebreken. We gaan uit van wat het kind wel kan en sluiten hierbij aan; het kind moet emotioneel vrij zijn. Faalangst heeft sterk te maken met het feit dat het kind voelt dat het niet voldoet aan de eisen en verwachtingen.

 

ONDERWIJSORGANISATIE,

 

- Differentiatie en groepsplan

 

Op SBO De Wissel zijn de verschillen tussen de kinderen dikwijls groot. De leerkracht moet zijn onderwijs zo inrichten dat hij tegemoet komt aan deze verschillen. De leerkracht maakt iedere 6 à 7 weken een plan om adequaat om te gaan met de  verschillen tussen de kinderen. Dit wordt vastgelegd in het groepsplan. (zie logboek 1)

Vanuit het startdocument (zie logboek 2) moet de leerkracht planmatig een onderwijsaanbod maken waarin zowel de verschillen tussen de kinderen als het samenleven en leren in een groep tot zijn recht komt. Deze planning geschiedt in samenspraak met de clustercollega(s)

 

- Groepsplan

 

Handelingsplannen voor individuele leerlingen hebben meestal niet de sturende waarde die ervan verwacht mag worden. De praktijk is dat de kinderen onderwijs krijgen in een groep. De onderwijsplanning is dan ook op de groep gericht. In dat perspectief is een handelingsplan voor een individuele leerling een onderdeel van de onderwijsplanning van de groep.

Groepsplannen zijn zowel pedagogisch als didactisch van aard. Er wordt dus onderwijs gepland op de verschillende vak- en vormingsgebieden. Voor (groepen) kinderen worden haalbare doelen gesteld en naar verwachting succesvolle leerroutes uitgestippeld die gericht zijn op de naast bijgelegen zone van de ontwikkeling

In het groepsplan staan tevens aanwijzingen over de omgang met individuele leerlingen en met de groep. Er zijn t.a.v. sociaal emotionele ontwikkeling gerichte activiteiten opgenomen.

 

In het groepsplan staan activiteiten voor de hele groep, subgroepen en individuele kinderen.

Let wel: veel individueel werken is voor de leerkracht onhaalbaar. en voor het samen leren en leven in de groep niet wenselijk. Klassikaal werken lijkt voor de hand te liggen maar biedt niet altijd voldoende mogelijkheden om tegemoet te komen aan de verschillen tussen de leerlingen. Werken in subgroepen is belangrijk. Uit praktische overwegingen zijn er echter slechts een beperkt aantal subgroepen per vak- en vormingsgebied mogelijk.

 

 

- Instructie- en ondersteuningsbehoefte.

 

Uitgangspunt is de behoefte van kinderen op didactisch en pedagogisch gebied. Op didactisch gebied spreken we van instructiebehoefte op pedagogisch gebied van ondersteuningsbehoefte. De gegevens van de kinderen worden, nadat ze vergeleken zijn met de actuele stand van zaken bij de leer- en ontwikkelingslijnen vertaald in instructie en ondersteuningsbehoeften. We weten dat deze instructie en ondersteuningsbehoefte slechts voor een beperkte tijd geldig is. Deze behoeften worden na iedere periodeplanning van 7 weken bijgesteld. Ontwikkeling betekent verandering.

 

a. Instructiebehoefte.

 

Belangrijk is het voor het kind in een bepaalde periode in ieder leer of vormingsgebied de haalbare doelen te bepalen. We kijken dan naar de “zone van de naaste ontwikkeling”.

Wat kan het kind nog niet zelf, maar wel met hulp?

Op welk gebied kan het succesvol leren?

Wat is een reële uitdaging?

Wij baseren onze didactische planning op de gegevens die we krijgen via de Cito-toetsen en de methode gebonden toetsen.

 

Als de doelen (naastgelegen zones) bepaald zijn kijken we welke leerroute we kiezen en welke didactische aanpak het beste aansluit.

Van welke activiteiten leert het kind het beste.?

Welke manier van instructie geven en verwerken past het beste bij het kind?

Hier zijn de motivatie; het aansluiten bij hun ervaringswereld van groot belang.

 

Tenslotte worden materialen en delen van het onderwijsleerpakket gekozen die helpen onze gestelde doelen te bereiken.

 

b. Ondersteuningsbehoefte.

 

De ondersteuningsbehoeften worden gebaseerd op de gegevens die verkregen worden uit het ontwikkelingsvolgmodel. Dit model geeft zicht op de wijze waarop bij de kinderen een aantal basale ontwikkelingsbehoeften ontwikkelen. Ook bij het bepalen van de ondersteuningsbehoefte kijken we naar de zone van de naaste ontwikkeling.

Welke leersituatie moet je creëren of waarmee moet je bij individuele leerlingen of

groepen leerlingen rekening houden om via de naastgelegen zone:

                       - de zelfbeleving, zelfbesef en competentie te bevorderen.

                       - de zelfstandigheid en autonomie te vergroten.

                       - de zelfredzaamheid te ontwikkelen.

                       - het emotioneel welbevinden te vergroten.

                       - de relatie en omgang met volwassenen en kinderen te verdiepen.

                       - de omgang met afspraken te verbeteren.

                       - de spelontwikkeling, samenspelen en samenwerken te bevorderen.

                       - de motivatie en taakgerichtheid te vergroten.

 

Ook dit moet na iedere periode worden bijgesteld.

 

- Klassenmanagement.

 

T.a.v. het klassenmanagement vinden we het belangrijk dat qua klasseninrichting

-  de kinderen zoveel mogelijk werken op plekken die zijn ingericht voor hun

   specifieke werkzaamheden.

-  de klasseninrichting levendig is. In de klas moet te zien zijn met welk thema of

   onderwerp in de klas gewerkt wordt.

- materialen in de klas zo zijn gekozen, dat zij kinderen met verschillende

   intelligentiepatronen aanspreken.

- In de klas recente producten van de kinderen te zien zijn.

- In de klas voldoende ruimte is om te kunnen lopen en te bewegen.

- Voor de kinderen aantrekkelijke lees- luister en schrijfplekken zijn. geletterdheid is

  een hoofddoel van het onderwijs.

- Materialen die de kinderen nodig hebben voor hun werk zonder tussenkomst

  van de leerkracht bereikbaar zijn.

- De mogelijkheid is voor kinderen, die alleen willen werken, om zich terug te

  trekken.

- De mogelijkheid is voor kinderen, die dat willen, om samen te werken (groepstafel)

- Een instructietafel is. Hiervoor is een specifieke plek ingericht

- De positie van de leerkracht niet centraal is maar wel zo dat een goed overzicht

  mogelijk is.

 

- Qua werkprocedure:

 

- De dagindeling is wisselend.

- Perioden van activiteiten met de leerkracht worden afgewisseld door momenten

  van zelfstandig werken.

- Het dagprogramma is bekend bij de kinderen en hangt zichtbaar in de klas.

- In het dagprogramma en in de keuze van activiteiten zijn keuzemogelijkheden

  voor de kinderen ingebouwd.

- Activiteiten zijn zo gekozen dat zij kinderen met verschillende intelligentiepatronen

  aanspreken.

- In het dagprogramma zijn bewegingsactiviteiten opgenomen (energizers).

- In de klas is een klok aanwezig.

- Er  vinden werkbesprekingen plaats met de kinderen. (plannen van de dag;

  evalueren van de dag)

 

Commissie van begeleiding: 

 

In de onderwijsorganisatie is zoals vermeld, bewust ervoor gekozen individuele handelingsplannen als ingrediënt in de groepsplanning op te nemen.

Kinderen waarvan blijkt dat de instructie- en of ondersteuningsbehoefte niet in de groep of subgroep is op te vangen, krijgen tijdelijk een individueel aanbod.

 

 

Samenstelling van de commissie van begeleiding:

- orthopedagoog (vz)

- intern begeleider

- jeugdarts (op afroep)

- maatschappelijk werker (op afroep)

- jeugdzorg (op afroep)

 

De niveaus van zorg op SBO de Wissel.

 

Vooraf: 

 

Thuis/Bao

Rapportages

PCL

Intakegesprek

                                                               

 

 

 

 

 

 

 

 

Maatschappelijk werk

Bureau Jeugdzorg

Concent

Raad van

kinderbescherming                         

Justitie

Etc.

 

 

 

Kind

entreeformulier/

Startdocument

 

 

 

Procedure bij instroom nieuwe leerlingen:

 

1.    Nadat de PCL een beschikking aan de leerling heeft afgegeven volgt een

    intakegesprek met ouder/verzorgers en intern begeleider.

2.    De intern begeleider overlegt verkregen informatie vast in een entreeformulier.

3.    Het entreeformulier wordt uitgereikt aan alle mogelijke betrokkenen in de
    begeleiding van het kind.

4.    Iedereen die een entreeformulier van het kind heeft ontvangen (dus mogelijk
    betrokkenen in de begeleiding) zorgt dat hij of zij het kind binnen 8 weken heeft
    gezien. De leerkracht is dan ook op huisbezoek geweest.

5.    Acht weken na plaatsing in de groep vindt er overleg plaats met alle betrokkenen
    en wordt het entreeformulier bijgesteld (centrale problematiek).

6.    Vervolgens worden ouders uitgenodigd en wordt het bijgestelde entreeformulier
    toegelicht.

7.    De leerling gaat verder als een zittende leerling.

 

Niveau 1.

 

De leerkracht ontvangt bij zittende leerlingen een startdocument van de vorige leerkracht (bij overgang) en ontvangt een entreeformulier bij een nieuwe leerling (instromende leerling) van de interne begeleider.

De leerkracht biedt in de klas instructie en ondersteuning aan het kind.

Deze zijn terug te vinden in de periodeplanning welke in het clusteroverleg wordt opgesteld.

De periodeplanning wordt gemaakt conform de jaarplanning.

De leerkracht gaat voor de kerstvakantie op huisbezoek bij de leerlingen die nieuw in zijn of haar groep zijn maar die wel al langer op onze school zitten.(zittende leerlingen)

Bij nieuwe leerlingen (instromende leerlingen) gaat de leerkracht binnen 8 weken op huisbezoek. De verslagen van de huisbezoeken worden geborgd in het centraal dossier.

Twee keer per jaar vullen de leerkrachten (gekoppeld aan de groeps- en leerlingenbespreking) het Ontwikkelingsvolgmodel in. Dit zijn de 4 afgesproken lijnen. Zelfbeleving/Zelfbesef/Competentie, Zelfstandigheid/Autonomie, Emotioneel Welbevinden/Emotionele ontwikkeling en Motivatie.

Bij nieuwe leerlingen (instromende leerlingen) vult de leerkracht binnen 8 weken na instroom het Ontwikkelingsvolgmodel in.

Citotoetsing vindt plaats conform afspraken in de toetsklapper. Invoering van de toetsgegevens via de administratie. Een uitdraai wordt opgenomen in logboek 2. In dit logboek borgt de leerkracht voor hem of haar wezenlijke informatie van de leerlingen. Deze informatie wordt ook geborgen in het centrale dossier.

Twee keer per jaar vindt er een groepsgewijze leerlingenbespreking plaats met de interne begeleider en de orthopedagoge en eventueel andere betrokkenen. Voorafgaande aan de leerlingenbespreking vult de groepsleerkracht een voorbereidingsformulier in (minimaal 1 week voordat de bespreking plaatsvindt). Deze besprekingen vinden plaats in oktober/november en mei/juni. Verslaglegging gebeurt door de interne begeleider. De intern begeleider maakt tevens een rendementsoverzicht van de cito- resultaten.

 

Niveau 2.

 

De leerkracht gaat in overleg met collega’s zodra hij of zij geen passende zorg in de groep kan bieden.

Dit kan door de leerling in te brengen in het bouwoverleg, collegiale consultatie of het raadplegen van een collega uit een andere bouw.

Korte aantekeningen van overlegsituaties worden door de groepsleerkracht in het centrale dossier geborgd.

De groepsleerkracht kan de verkregen informatie daarnaast nog verwerken in de periodeplanning.

 

Niveau 3.

 

Indien de leerkracht na overleg  met collega’s nog steeds geen passende zorg kan bieden raadpleegt hij of zij een intern deskundigen.

De school beschikt over een aantal Interne deskundigen op het gebied van :

Taal/spraak:

Dyslexie:

Rekenen:

Gedrag:

Sociaal emotionele problematiek:  

Daarnaast kunnen de orthopedagoge, bouwcoördinatoren en interne begeleider geraadpleegd worden.

Van al deze overlegsituaties wordt een verslag geborgd in het centrale dossier.

 

Niveau 4.

 

Zodra bovenstaande niveaus zijn doorlopen en geen passende zorg is gevonden dan volgen deskundigheidsvragen aan externe experts. Deze contacten lopen via bouwcoördinatoren, intern begeleider en/of orthopedagoge.

We denken dan aan Bureau Jeugdzorg, Mondriaan Zorggroep, Audeologisch Centrum, particuliere Psychologencentra ( P.P.L, Amacura, Virenze )

 

 

Zorgniveau; het samenwerkingsverband

In het zorgplan beschrijft het samenwerkingsverband zijn doelstellingen. Deze doelstellingen vormen het kader voor de zorgdoelstellingen van onze school. Twee belangrijke hulpstructuren op het niveau van het samenwerkingsverband  zijn:

a. Permanente Commissie Leerlingenzorg

De Permanente Commissie Leerlingenzorg van ons samenwerkingsverband beperkt zijn  functie niet alleen tot de beoordelingstaak, d.w.z. het toelaatbaar verklaren van leerlingen tot de speciale school voor basisonderwijs en het toekennen van ambulante begeleiding. De PCL heeft ook een consultatie-, advies- en onderzoeksfunctie en coördineert de terugplaatsing van leerlingen vanuit het SBO naar het Bao. 

b. Coördinator Samenwerkingsverband

In het samenwerkingsverband Landgraaf werken leraren, directeuren, bestuurders en vele anderen aan de centrale opdracht: het streven naar een zorgstructuur die waarborgt dat alle leerlingen de zorg krijgen die ze nodig hebben om een ononderbroken ontwikkelingsproces te kunnen doorlopen. Hierbij is de visie op adaptief onderwijs van groot belang. Het streven van de scholen dient gericht te zijn op afstemming, waarbij het denken vanuit mogelijkheden en kansen prioriteit heeft. Voor de samenhang tussen alle activiteiten zorgt de coördinator van het samenwerkingsverband.

 

Beleid m.b.t. “rugzakleerlingen”

 

“Rugzakleerlingen” zijn kinderen met een handicap of beperking die gebruik maken van leerlinggebondenfinanciering (LGF). Het doel van LGF is de emancipatie en integratie van leerlingen met een handicap in het reguliere onderwijs te bevorderen.

Op basis van de integratiegedachte en de vrijheid van schoolkeuze hebben de ouders

In de wetgeving de mogelijkheden gekregen om hun kind het speciaal onderwijs (REC- school) te laten volgen of met de LGF te kiezen voor een vorm van primair onderwijs (Basisschool of Speciale school voor Basis Onderwijs)

Dit betekent dus dat ook SBO de Wissel tot de wettelijke keuzemogelijkheid van de

ouders behoort omdat het  SBO-onderwijs onder het (reguliere) primair onderwijs valt.

In de praktijk komen de volgende mogelijke situaties m.b.t. leerlingenbonden

financiering voor:

1.    Een leerling op een basisschool wordt met leerlinggebonden financiering

    aangemeld bij SBO de Wissel (via de Permanente Commissie Leerlingenzorg).

2.    Een leerling wordt vanuit het Speciaal Onderwijs aangemeld op SBO de Wissel

    (via de Permanente Commissie Leerlingenzorg).

3.    De ouders van een zittende leerling van SBO de Wissel vragen Leerlinggebonden

    Financiering aan. Na toekenning gaat deze leerling op SBO de Wissel verder als

    leerling met een “rugzak”.

De toekenning van de Leerlinggebonden financiering wordt altijd beoordeeld door de Commissie Van Indicatiestelling (CvI)

Onze school is er van overtuigd dat het goed is voor kinderen met een beperking om in hun “eigen” buurt naar school te kunnen gaan mits er een passend onderwijsaanbod is op onze school.

Indien de leerling wordt geplaatst op SBO de Wissel wordt er in overleg met een

Ambulant begeleider van het Speciaal Onderwijs samen met ouders een contract

opgesteld. Dit resulteert in een  handelingsplan met daarbij een overzicht van inzet van middelen, ondersteuning door Speciaal Onderwijs of derden, inzet aanvullende formatie etc.LGF-leerlingen op onze school worden naast de gebruikelijke zorg en dossiervorming nog eens 3 keer per jaar besproken waarbij ouders worden uitgenodigd.

 

 

Daarnaast is ons beleid erop gericht om ook onze leerkrachten en andere leerlingen te

laten profiteren van de  expertise die de Ambulant Begeleider van de REC-school

meebrengt.

Zo kent onze school diverse leerkrachten die zich in samenwerking met de Ambulant

Begeleider uit het Speciaal Onderwijs geschoold hebben en methodieken uit het Speciaal

Onderwijs eigen hebben gemaakt om het onderwijsaanbod meer passender te

maken.

 

Onze school heeft ervaring opgedaan met 10 leerlingen die gebruik maken of gebruik

hebben gemaakt van Leerlinggebonden Financiering :

REC- 2 school (Ernstige Spraak/taal Moeilijkheden).

REC- 4 school (Zeer Moeilijk Opvoedbare Kinderen)

REC- 3 school (Zeer Moeilijk Lerende Kinderen en Langdurig Zieken Kinderen)

 

Beleid m.b.t. “Tweede taalleerders”.

 

Onze school kent op dit moment een percentage van 8 % tweede taalleerders.

Dit percentage is verhoudingsgewijs laag als je dit afzet tegen scholen in de grote steden.

Toch speelt SBO de Wissel hierop in door de keuze van de taalmethode.

Binnen onze doelgroep hebben we te maken met verschillende groepen leerlingen die allemaal een beroep doen op verschillende vaardigheden.

In de gekozen taalmethode “Taaltrapeze” komen deze verschillende specifieke instructies

aan bod om binnen een les te differentiëren.

Hierdoor kunnen we inspelen op de specifieke behoeften van de verschillende leerlingen.

Ook de lessen oriëntatie op jezelf en de wereld komen verschillende culturele aspecten aan bod. Dit is op dit moment nog niet planmatig in een methode of werkwijze opgenomen. (zie schoolontwikkelplannen)

Daarnaast zijn er op dit moment  2 leerkrachten actief in de ambulante begeleiding (Movare) van  Neveninstroom. Dit zijn leerlingen met een NT2 achtergrond.

Ervaringen in deze begeleiding en het feit dat de ambulante dienst neveninstroom gehuisvest is in ons gebouw kan bijdragen aan een verdere opbouw van expertise in “tweede taallleerders”.

 

 

Procedure bij uitstroom van leerlingen:

 

In het schooljaar 2007 – 2008 zal de procedure van uitstroom ( vervolgonderwijs ); verwijzing en terugplaatsing beschreven worden.


4.3 De ordening van de inhoud van het Onderwijs

      (leerstofaanbod en leertijd)

 In artikel 9 van de Wet op het Primair Onderwijs is globaal aangegeven wat de inhoud van het onderwijs - waar mogelijk in samenhang - moet omvatten.
Wij hebben deze inhoud geordend en afgesproken wat op de lesrooster staat
Voor de instructie- en ondersteuningsactiviteiten verwijzen we naar het logboek 1 (onderwijskundige en organisatorische planning).

 

Dit heeft tot de volgende ordening/afspraken geleid wat betreft de vak- en vormingsgebieden (WPO artikel 9 en 50); dat wat op het rooster staat;

 

Zintuiglijke oefeningen; Arbeid met ontwikkelingsmateriaal.

Hiervoor gebruiken wij de volgende materialen:

Constructiemateriaal. Bouwmateriaal. Wereldspel materiaal. Poppenhoek materiaal.

Ongevormd materiaal. Boekenhoek materiaal.

Materiaal voor de verstandelijke ontwikkeling.

Specifiek materiaal m.b.t. voorbereidend lezen, rekenen en schrijven.

De doelen die wij hanteren zijn:

Over een grote mate van begripsvorming en ruimtelijk inzicht beschikken en dit laatste ook in het platte vlak kunnen gebruiken. Inzicht hebben in de verhoudingen in het platte vlak.

Visueel en auditief kunnen discrimineren.

Zelfstandig opdrachten kunnen uitvoeren.

Kunnen samenwerken.

Geconcentreerd kunnen luisteren.

Een goede motorieke vaardigheid hebben.

Kunnen ordenen, sorteren, combineren en classificeren.

Inzicht hebben in hoeveelheid en rangorde.

Abstract kunnen denken.

Belangstelling hebben voor boekjes, letters en cijfers.

Kleuren en vormen kunnen benoemen.

In de komende schoolplanperiode willen wij de volgende veranderingen realiseren:

Ontwikkeling en Pilot naar de werkwijze “Speelplezier” in de onderbouw.

 

Nederlandse taal:

Aanvankelijk voortgezet onderwijs

Hiervoor gebruiken wij de volgende materialen:

Methode 'Leeslijn/leesweg”.
Regionaal Pedagogisch Centrum Zeeland.

Uitg.Meulenhoff Educatief.

 

De doelen die wij hanteren zijn:

AANVANKELIJK LEZEN

De leerlingen maken zich de stof van de methode 'Leeslijn/leesweg’ eigen Voor het leren lezen werken we met de methode De Leeslijn, een methode voor kindgericht leesonderwijs. Bij de jonge kinderen wordt kennis gemaakt met geschreven taal d.m.v. voorlezen en het spelen met letters. Een kind dat verder wil met het ontsleutelen van letters en woorden krijgt hiervoor ruimte en kan ervaringen opdoen met geschreven taal. Het kind wordt gestimuleerd om ontdekkend te leren lezen.

 

 

 

VOORTGEZET LEZEN

 

De leerlingen moeten zich een goede technische leesvaardigheid eigen maken. Naast het zich eigen maken van alle leesaspecten middels zelfstandig lezen, zijn vrij lezen en lezen in groepjes wezenlijke onderdelen van het leren lezen, waarin leesplezier een belangrijk element is. Lezen in een op het kind afgestemd leesniveau vergroot eveneens het leesplezier.
Het op een voldoende niveau technisch kunnen lezen is een voorwaarde om tot goed tekstbegrip te komen. Wij beschouwen 'begrijpend lezen' als een van de kernvakken van de school.

In de komende schoolplanperiode willen wij de volgende veranderingen realiseren:

We willen de huidige methode leeslijn/leesweg gefaseerd vervangen door de vernieuwde methode leeslijn/leesweg t/m 10+.

 

Spellingonderwijs

Hiervoor gebruiken wij de volgende materialen:

Methode 'Spelling in de lift plus'  ontwikkeld door het  CED en het PI Rotterdam en uitgegeven door  uitgever Bekadidact Baarn/Utrecht.

Basisschool groepen 3 t/m 8.

 

De doelen die wij hanteren zijn:

De leerlingen moeten enerzijds kunnen beschikken over de (geautomatiseerde) schrijfwijze van veel voorkomende Nederlandse woorden en die in hun schriftelijk taalgebruik kunnen toepassen. Anderzijds leren ze een aantal vaardigheden, waardoor ze in staat gesteld worden om de juiste schrijfwijze van onbekende woorden te vinden of zo goed mogelijk te benaderen.

(met verschillen in eindniveau)

In de komende schoolplanperiode willen wij de volgende veranderingen realiseren:

We willen de komende schoolplanperiode bekijken of er aanvullend materiaal is op het gebied van spelling (aansluitend bij spelling in de lift+) t.a.v. oefeningen waarbij de spellingscategorieën zijn geïntegreerd.

Spelling in de lift+ oefent de spellingscategorieën geïsoleerd.

 

Mondelinge Taal; Schriftelijke taal; Taalbeschouwing

Hiervoor gebruiken wij de volgende materialen:

Taaltrapeze. Ontwikkeld door CED-groep / Pedologisch instituut.

2005 Bekadidact Baarn delen 1 t/m 5

 

De doelen die wij hanteren zijn:

Er wordt aandacht besteed aan:

A: Mondelinge taal: taal om te leren, taal om te communiceren

     Taaltrapeze biedt Spreken en Luisteren vrijwel altijd gecombineerd aan. Onze
     leerlingen ontwikkelen als volgt hun spreek- en luistervaardigheid:

     Doordat we met de methode vaak verhalen voorlezen, die ze mogen navertellen.
     Dit kan aan de hand van de platen uit de prentenboeken.

        Onze leerlingen kunnen ook naar aanleiding van een verhaal iets vertellen of
        hiervoor een eigen gebeurtenis kiezen.

 

        Verder oefenen onze leerlingen bij Luisteren en spreken met allerlei
        taalgebruikssituaties, waarin verschillende taalfuncties een rol spelen.

 

B: Schriftelijke taal: beginnende geletterdheid, begrijpend lezen

    In deel 1, 2 en 3 ontwikkelen onze leerlingen hun tekstbegrip met voorgelezen

    En gesproken teksten (Begrijpend luisteren). Vanaf thema 4 van deel 3 maken

    we een start met Begrijpend lezen. We leren dan strategieën om doe- en
    weetteksten te lezen en te begrijpen wat ze lezen.

    In de hogere delen leren onze leerlingen de functie en structuur van diverse
    tekstsoorten kennen. Ze krijgen strategieën aangereikt waarmee ze teksten
    beter kunnen begrijpen en gestructureerd kunnen weergeven. Ook leren ze een
    mening te geven en conclusies te trekken. Deze vaardigheden kunnen ze direct
    toepassen bij andere vakken.
    Informatieverwerving, strategisch schrijven.

 

C: Taalbeschouwing; woordenschat en taalbegrippen

     In de woordenschatlessen komen binnen ieder thema zoveel mogelijk woorden
     voor die aansluiten bij de belevingswereld van onze leerlingen en die deze

     Wereld verder uitbreiden. Daarnaast leren ze woorden die wat verder van hen

     af liggen maar die toch heel belangrijk zijn om de lessen en de oefeningen goed

     te kunnen volgen: de schooltaalwoorden. Dit zijn woorden als ‘aankruisen’ en
     ‘bewijzen’.

In de komende schoolplanperiode willen wij de volgende veranderingen realiseren:

Het gefaseerd invoeren van deel 5 t/m 7 zodat de doorgaande lijn gewaarborgd wordt.

 

Zie ook de schoolontwikkelplannen.

 

  Engelse taal:

Hiervoor gebruiken wij de volgende materialen:

Engels methode Wings leesboekjes.

 

De doelen die wij hanteren zijn:

Bekend maken met de Engelse taal. Voor taalzwakke kinderen is dit mogelijk door duidelijke foto’s, gekoppeld aan de beleving van de kinderen, waardoor de Engelse taal betekenisvol wordt voor de kinderen. Daarnaast biedt de methode  de mogelijkheid tot begeleid lezen en zelfstandig lezen voor gevorderden.

 

In de komende schoolplanperiode willen wij de volgende veranderingen realiseren:

Uitbreiden van de receptieve en productieve vaardigheden, afgestemd op de mogelijkheden van de kinderen.

 

 

 

 

 

      Rekenen en wiskunde

      Hieronder wordt begrepen:

Wiskundig inzicht en handelen; Getallen en bewerkingen; Meten en meetkunde

Hiervoor gebruiken wij de volgende materialen:

Voor de jonge kinderen; ‘Als kleuter hoor je er ook bij’

'Wis en reken',  uitg. Bekadidact Baarn/Utrecht.

Voor de groepen 3 t/m 8.

Maatwerk Malmberg 2005 (inclusief computerversie)

De doelen die wij hanteren zijn:

Algemeen:

Uitgaan van de principes van het realistische rekenen. D.W.Z. herkenbare en aansprekende situaties vormen de uitgangspunten voor ons rekenonderwijs.

De methode wis en reken integreert de drie aspecten van rekenen en wiskunde zoals genoemd in de kerndoelen.
De leerstof in Wis en Reken heeft tot doel "dat elke leerling, op zijn of haar eigen niveau, rekenvaardig wordt en vertrouwen in eigen kunnen ontwikkelt. Dit doel wordt bereikt door: het activeren van bestaande rekenkennis; het werken volgens kleine inzichtelijke leerstapjes; aanbieden van voldoende verwerkings-, herhalings- en verrijkingsstof, waarmee naar niveau, tempo en interesse kan worden gedifferentieerd; eenduidige opdrachten; valide toetsen; rekening houden met recente rekendidactische vernieuwingen (lege getallenlijn); samenhang in leerlijnen; aandacht voor slimme oplossingsstrategieën; gebruik in combinatiegroepen". In de lesbeschrijvingen (handleidingen) wordt per dag en per activiteit de doelstelling van de les aangegeven.

Op het moment dat leerlingen uitvallen op de Cito-toets wordt voor een kortere- of langere periode gekozen voor maatwerk. Deze methode richt zich meer op het aanleren van beperkte strategieën  en differentieert nog meer in tempo en leerstof.

 

In de komende schoolplanperiode willen wij de volgende veranderingen realiseren:

 

 

 

      Oriëntatie op jezelf en op de wereld

Hieronder wordt begrepen:

Mens en samenleving

Natuur en techniek

Ruimte

Tijd

 

 

Hiervoor gebruiken wij de volgende materialen:

Eigen onderwerplijsten.

Met een 12-tal thematische onderwerpen;

Vrije tijd ; Communicatie; Eten en drinken; Geld ; -Maatschappelijke verschijnselen; Reizen en verplaatsen; De gemeente; Wonen; Gezondheidszorg; Energie; Milieu; Werken

 

Technokisten.

“Maak ’t maar”:  Bronnenboek techniek voor het primair onderwijs;

Eureka werkgroep TIBO (techniek in het basisonderwijs Hoge school Maastricht.)

 

De doelen die wij hanteren zijn:

Mens en samenleving:

De leerlingen moeten inzicht krijgen in de maatschappelijke verhoudingen en de structuur van de maatschappij.

 

Natuur en techniek

Van belang is, dat de leerlingen: respect, waardering, belangstelling hebben voor mens, plant en dier zich kritisch bezighouden met milieuzaken
- de natuur zien "in brede zin" als wezenlijk, onmisbaar onderdeel van het leven

 

Tijd

Kinderen dienen

- verschijnselen van nu te leren, te begrijpen en te verklaren vanuit het verleden te beseffen, dat de samenleving voortdurend verandert en dat iedere verandering betrekkelijk is ervaringen op te doen en kennis te nemen van het tijdsverloop en perioden

- maatschappijvormen te leren uit het verleden en het heden

- kennis te nemen van het ontstaan van onze democratie
- te leren bewust en kritisch om te gaan met de democratie
- leren na te denken en vragen te stellen over historische verschijnselen

 

Ruimte

Kinderen dienen

- noodzakelijke kennis en vaardigheden te  verwerven  zich af te vragen: wat  is

  hier en wat is daar   en waarom dan

- te leren nadenken  over geografische verschijnselen

- vertrouwd te raken   met verschijnselen die betrekking hebben op de indeling ende in richting van de ruimte- te leren inzien dat het gebruik van de ruimte  wordt bepaald door  factoren als klimaat, cultuur, ideële motieven

In de komende schoolplanperiode willen wij de volgende veranderingen realiseren: het SBO

In afwachting hiervan blijvende actualise

Oriëntatie op een geïntegreerde W.O. methode geschikt voor ring en aanvullen van de onderwerpen.

T.a.v. techniek willen in nauwe samenwerking met de andere SBO scholen een techniekaanbod voor alle leerlingen realiseren.

     

 

Kunstzinnige oriëntatie

Hiervoor gebruiken wij de volgende materialen:

Methode 'Moet je doen', uitg. Meulenhoff Educatief, Amsterdam.

Groepen 1 t/m 8.

De doelen die wij hanteren zijn:

We stellen ons in de expressievakken handvaardigheid en tekenen tot doel de kinderen te laten kennismaken met verschillende mogelijkheden om zich in beelden uit te drukken.

Ze leren:

-beeldende uitingen van anderen te begrijpen en ervan te genieten.

-hun ideeën gevoelens, waarnemingen en ervaringen vorm geven in beeldende

 werkstukken.

-het herkennen en naar waarde schatten van beelden in hun dagelijkse

 omgeving.

 

Bij handvaardigheid gaat het om vormen die de ruimte innemen, vormen die ruimte omvatten, vormen die ruimte omsluiten en vormen die de ruimte doorsteken.

 

Bij tekenen gaat het om beelden in het platte vlak, zoals tekeningen, schilderijen of collages.

Het weergeven van de derde dimensie wordt gesuggereerd in het platte vlak.

 

De Muzikale vorming is erop gericht dat de leerlingen kennis, inzicht en vaardigheden verwerven om muziek te beluisteren, te beoefenen en om met elkaar over muziek te spreken.

Ze leren de eerste beginselen van de taal van muziek en ontdekken hun muzikale mogelijkheden

 

In de komende schoolplanperiode willen wij de volgende veranderingen realiseren:

 

Bewegingsonderwijs