7. DOELEN VAN HET ONDERWIJS

 

  1. Levensbeschouwelijk
    SBO de Wissel is een school die valt onder het bestuur van de Stichting Movare. Een fusiebestuur sinds 1 februari 2005.
    Alhoewel het bestuur van de school een bijzondere grondslag (identiteit) heeft, vormt dit geen enkele belemmering voor de toelating van leerlingen die een andere dan wel geen geloofsovertuiging hebben, daar de school een zorgfunctie heeft voor alle scholen in Landgraaf (katholieke, protestante, openbare e.d.). De godsdienstige levensbeschouwelijke vorming van de school is van algemeen praktische christelijke aard, waarbij ook aandacht wordt besteed aan andere levensbeschouwelijke stromingen.
    Voor ouders die hiermee niet akkoord gaan wordt, in overleg, naar oplossingen gezocht. Het initiatief hiertoe wordt bij de ouders gelegd. Voor de ouders van de katholieke kinderen, die dat wensen, worden deze kinderen voorbereid op de Eerste Heilige Communie en het H. Vormsel. De ouders krijgen bij de eerste Heilige Communie de gelegenheid dit samen te doen, dan wel te kiezen voor de eigen parochie. Er wordt ieder jaar bekeken of er voldoende deelname is.
    De school beveelt de ouders van de communicantjes in het algemeen aan de kinderen pas de Eerste Heilige Communie te laten ontvangen als zij het lezen enigermate beheersen.

    Onderwijskundig / pedagogisch
    1. Organisatie

    mentorgroepen
    De school is opgebouwd uit mentorgroepen:

 

1. Onderbouw cluster 1
   

* De Spoorzoekertjes            Mevr. M. Haagmans & Mevr. V. v. Bokhoven

2. Middenbouw cluster  2

* De Locomotiefjes              Mevr. C. Erkens
 

* De Sprinters                       Mevr. N. Jägers 

* De Vuurpijlen                    Dhr. O. Pauwels

 3. Middenbouw/Bovenbouw cluster 3

    * De Seinwachters              Dhr.  W.v.d.Straten & LIO leerkracht J. Logister

    * De Ahrenden                   Dhr. G. Kitzen       
 

4. Bovenbouw cluster 4
    * De Koppeling                  Mevr. F. Karolewski & Mevr. S. Crijns 

    * De Rangeerders                Dhr. H. Hermans           

De mentorleerkracht is het vaste aanspreekpunt voor kinderen, ouders en andere externen. Hij / zij houdt de rapportbesprekingen en komt op huisbezoek.  In samenwerking met andere leerkrachten en onderwijsassistenten begeleidt hij/zij de kinderen in hun leerproces.


Het welbevinden van het kind ligt in de handen van de mentorleerkracht die, zo nodig, gesprekken voert met de Commissie van Begeleiding (CvB) van de school (waarvan de orthopedagoog voorzitter is) en, na afspraak binnen de Commissie van Begeleiding (CvB), met eventuele externe instanties (o.a. Bureau Jeugdzorg – Boddaert - RIAGG – vervolgscholen enz.)

Op onze school hebben  we niet het jaarklassensysteem zoals op de basisschool. Om pedagogische redenen kiezen wij voor een indeling

naar leeftijd d.w.z.:


* In de
onderbouw (cluster 1)zitten de jongste kinderen


* In de
middenbouw - groepen  ( cluster 2) zitten de kinderen die in de aanvankelijke  en de fase van van het voortgezet leren zijn.

Het zijn 3 parallelgroepen. Dat wil zeggen dat de leeftijdsopbouw in de groepen nagenoeg gelijk is.

 

* In de middenbouw/bovenbouw (cluster 3) zitten de oudere middenbouwleerlingen en de jongere bovenbouwleerlingen. Hier worden de kinderen op het gebied van zelfstandigheid en werkhouding voorbereid op cluster 4. Het zijn twee parallelgroepen.

 

* In de bovenbouw (cluster 4) zijn 2 parallelgroepen, hierin zitten de mogelijke schoolverlaters, die dit jaar of volgend schooljaar de school verlaten.

 

Als een kind het 2e jaar in dezelfde mentorgroep zit, betekent dit dus niet dat het kind blijft zitten. Bij taal, lezen, rekenen gaan we verder waar het kind gebleven is. Bij de overige vakken (wereldoriëntatie, gym, handenarbeid, muziek en verkeer) wordt de leerstof uitgebreid
 


Globale dagplanning


´s morgens:


- dagopening in mentorgroep (kringgesprek).
- taal / lees- en rekenen binnen het cluster

- cluster 1&2 heeft voor de middag muziek

 

´s middags

 

de creatieve blok:
Les in:
- handenarbeid: tekenen, textiele werkvormen.
- of muziek
- of gymnastiek

´s middags: Blok Wereldoriëntatie, Verkeer en Techniek.
Tijdens de middag op maandag – dinsdag – of donderdag

 

woensdag is mentordag, deze dag is er extra aandacht voor het vak sociale redzaamheid (Leefstijl)

Afsluiting:
De dag wordt afgesloten van 14.50 – 15.00 uur in de mentorgroep.


2. Onderwijskundige doelen

   

Bij de onderwijskundige doelstellingen wordt steeds rekening gehouden met de hulpvraag van het kind.  Deze hulpvraag van het kind wordt vastgesteld op basis van de hulpvragen die de ouders, het BAO en de PCL aan de SBO stellen.  Verder wordt uitgegaan van de situatie van de leerling.

 

 

(Hoe is zijn intelligentie, welke zijn de aanknopingspunten? Hoe is de sociale omgeving? enz.)

De gegevens hierover worden verkregen via het Onderwijskundig Rapport van de basisschool (toelating) en desgewenst via aanvullend didactisch onderzoek op de Wissel.

Pedagogisch worden de onderwijskundige doelen gebaseerd op het ontwikkelingsvolgmodel. De leerkracht observeert regelmatig de leerling op het gebied van zelfbesef, zelfstandigheid, zelfredzaamheid, emotioneel welbevinden, relatie met volwassenen en kinderen, omgang met afspraken en regels, spelontwikkeling, samenspel en samenwerken, motivatie en taakgerichtheid.
De school gaat er op basis van een bestaansgerichte visie van uit dat ieder kind in staat is de basisvaardigheden eigen te maken. Op basis van hun mogelijkheden, en vanuit de gegevens verkregen uit de rapportages en observaties, wordt er een schoolloopbaanprognose gemaakt.
De leerlingen worden ingedeeld in drie ontwikkelingsprofielen.

 

Ontwikkelingsprofiel 1:

We schatten in dat het kind in staat wordt geacht bij schoolverlaten de basisvaardigheden te beheersen en daarnaast de stof van groep 3 en 4 van het basisonderwijs grotendeels beheerst.

dit profiel is sterk praktijkgeoriënteerd

 

Ontwikkelingsprofiel 2:

We schatten in dat het kind in staat wordt geacht bij schoolverlaten de basisvaardigheden te beheersen en daarnaast de stof van groep 5 en 6 van het basisonderwijs grotendeels beheerst.

 

Ontwikkelingsprofiel 3:

We schatten in dat het kind in staat wordt geacht bij schoolverlaten de basisvaardigheden te beheersen en daarnaast de stof van groep 7 en 8 van het basisonderwijs grotendeels beheerst.

 

De ontwikkelingsprofielen van de leerlingen zijn het uitgangspunt voor de inhoudelijke invulling van het 7 wekelijks groepsplan. Ontwikkelingsprofielen worden jaarlijks geëvalueerd en bijgesteld.

Bij kinderen van cluster 1 en 2 maken we een inschatting van de ontwikkeling bij doorstromen naar cluster 3.

Bij kinderen van cluster 3 en 4 maken we een inschatting van de ontwikkeling bij uitstroom.

 

Basisvaardigheden zijn:

 

  1. Lezen, taal, rekenen, schrijven
    1. Speerpunt 1: leren lezen op zo hoog mogelijk begrijpend niveau.
    2. Streven naar een zo optimaal mogelijk niveau van mondelinge taaluiting (gericht je woordje kunnen
        doen: taalvaardig, taalmondig met een zo groot mogelijke woordenschat). In de onderbouw wordt in dit kader de methode  ''speelplezier'' geïntroduceerd.
    3. Rekenstof en vaardigheid die nodig is om je in de maatschappij te handhaven. Zeker optellen en aftrekken en liefst ook delen en vermenigvuldigen.
        (Zo nodig met telmachine).
    4. Schrijven: techniek schrijven en qua spelling:
        de spellingsbekwaamheid van minimaal een aantal basiswoorden en het kunnen schrijven van een eenvoudig briefje.
        N.b.: Al naar gelang de mogelijkheden van het kind worden die basisvaardigheden uitgebreid.


  2. Speerpunt 2: Sociale vaardigheid, zelfstandigheid, verantwoordelijkheid en emotionele harmonie.
    Hierbij wordt rekening gehouden met genoemde kind- en omgevingskenmerken. We proberen dit aan te leren, via de vakken:
    1. Sociaal – emotionele vorming via de methode “Leefstijl”.
    2. Wereldoriëntatie, d.m.v. doe projecten.
        Belangrijke onderwerpen (met “onder liggende” inhouden)
        - gemeente (loketten, openbare werken, brandweer, weg zoeken etc.
        - communicatie (locale TV, fax, radio, krant etc.)
       
    - wonen (huur,aannemer, tuin etc.)
        - geld (euro, geldautomaat, sparen etc.)
        - werken (solliciteren, uitzendbureau, beroepen etc.)
        - reizen en verplaatsen (reizen, kaart, strippenkaart, spoorboekje, dienstregeling etc.)
        - eten en drinken (voeding, restaurant etc.)
        - vrije tijd (hobby’s, verenigingen, spelen etc.)
        - energie (gas,energieverbruik etc.)
        - gezondheidszorg (RIAGG, eerste hulp, Groene Kruis) etc.)
        - milieu (afval, vervuiling, natuur etc.)
        - maatschappelijke verschijnselen (koffieshops, allochtonen, peuterspeelzalen etc. Tegenwoordig worden de thema's van de methode Taaltrapeze ingeschoven en waar mogelijk worden de huidige thema's geheel of ten dele vervangen.                                                                                       
    3. Techniek en verzorging. (van computer, fietsreparatie tot hygiëne) o.a. de methode “Technokist”.
    4. Verkeer (verkeersbekwaam maken)( de methode “Wijzer door het verkeer”.
    5. Handenarbeid / tekenen. De methode “Moet je doen”
    6. Lichamelijke opvoeding en zwemmen.
    7. Dramatische expressie. De methode “moet je doen”.


 

Naast de basisvaardigheden worden de leerlingen met meer mogelijkheden in staat gesteld hun eigen optimaal leerniveau te bereiken. Dit gebeurt door uitbreidings- en verdiepingsstof. De leerkrachten streven ernaar gedifferentieerde instructie te geven, waardoor de leerling les krijgt op zijn niveau en tempo en in staat  gesteld wordt zijn eindniveau te bereiken. Daar de school buiten opvang van de zorgkinderen, die in het basisonderwijs Landgraaf onvoldoende aangepast onderwijs kunnen krijgen, ook als doel heeft, via een actief terugplaatsingsbeleid, kinderen verantwoord terug te leiden naar het BAO (basis onderwijs), vindt er jaarlijks binnen de school een inventarisatie plaats.
In samenspraak met betreffende ouders en ontvangende basisscholen kan dit leiden tot terugplaatsing in het BAO.
In overleg met het BAO is dit vastgelegd in een procedure (verkrijgbaar op de Wissel).

 

De leerkrachten plannen hun werkzaamheden en wijze van aanpak in het groepsplan. In het groepsplan wordt voor iedere leerling ingevuld hoe de basisvaardigheden ontwikkeld worden, rekening houdend met het ontwikkelingsprofiel en de behoeften van het kind.
Welke ondersteuning en instructiebehoeften heeft het kind nodig. Het groepsplan omvat steeds periodes van 7 weken. Na iedere periode wordt geëvalueerd en vindt een bijstelling plaats.
In het groepsplan staat dus de handelingsplanning van de leerlingen in de groep. Alle leerlingen van onze school zijn met een speciale hulpvraag geplaatst. De inrichting van de school, het pedagogisch klimaat en pedagogisch ontwikkelingsmodel komen naast de gekozen werkwijze en gehanteerde methodieken grotendeels tegemoet aan de diverse hulpvragen.
Hulpvragen van de leerlingen moeten binnen de groep aandacht krijgen. De planning hiervan komt, zoals vermeld, tot uitdrukking in het groepsplan. De leerkrachten worden gecoacht door de intern begeleider. Als de problematiek van de leerling de coachingsmogelijkheden van de intern begeleider overstijgt moet hulp worden gezocht bij de begeleidingscommissie bestaande uit: orthopedagoog – jeugdarts – maatschappelijk werker en intern begeleider.

Voor deze leerlingen wordt een individueel plan gemaakt.

 

Evaluaties vinden regelmatig plaats via:

  1. groepsgewijze Leerlingen Bespreking (G.L.B)
    Minimaal 2 keer per jaar bespreekt de mentorleerkracht, de resultaten van de groepsplannen met de onderwijskundige schoolvorderingen en de ontwikkelingslijnen van de leerlingen met de intern begeleider van onze school of diens vervanger.
    Afspraken worden vastgelegd en geëvalueerd.
    De mentorleerkracht brengt ouders op de hoogte van de afspraken en heeft buiten de coördinerende ook een bewakende functie. Indien de problematiek te groot is, wordt de leerling besproken in de Commissie van Begeleiding.
    Van deze leerlingen wordt, zoals vermeld, een individueel plan van aanpak opgesteld.


  2. Rapporten

    De kinderen ontvangen 2x per jaar een rapport. De rapporten geven inzicht in de pedagogische ontwikkeling en de inhoudelijke leerstapjes die het kind maakt. Voordat de kinderen de rapporten ontvangen worden de ouders uitgenodigd voor een 20 minuten gesprek met de mentorleerkracht.
    Het rapport wordt pas uitgereikt nadat het gesprek heeft plaatsgevonden. Halverwege het jaar bij de bespreking van rapport 1 worden de ouders geïnformeerd over de vorderingen van hun kind m.b.t. taal / lezen en rekenen en de overige vakgebieden.

    Bij het weergeven en toelichten van de vorderingen maken de leerkrachten gebruik van de resultaten van de landelijk gehanteerde en genormeerde Cito – toetsen en het GLB.

  3. Kijk – morgens
    De ouders van de leerlingen die in de onderbouw zitten (leerlingen die bezig zijn met kleuteraspecten en aanvankelijk lezen, taal en rekenen) worden in de loop van het schooljaar uitgenodigd een morgen de lessen te bezoeken. Aan het eind van deze morgen beantwoordt de leerkracht vragen van de ouders. De ouders van leerlingen uit de andere groepen kunnen in overleg eveneens een morgen de lessen bezoeken. Het initiatief hiertoe moet door de ouders zelf genomen worden door het maken van een afspraak met de betrokken leerkracht.


  4. Huisbezoeken
    iedere mentorleerkracht brengt één keer per jaar, na afspraak, een huisbezoek bij de ouders van voor hem / haar nieuwe leerlingen. Het bezoek vindt plaats vóór Kerstmis. Tijdens dit huisbezoek zijn de ouders in de gelegenheid al hun vragen aangaande hun kind te bespreken. De mentorleerkracht maakt een verslag van dit gesprek , borgt dit in het leerlingdossier en brengt desgewenst de besproken zaken ter sprake in de leerlingbespreking. Daarnaast kunnen de eventuele hulpvragen van ouders aanleiding geven tot aanpassing van de ondersteunings- of instructiebehoefte van het kind.
    Bij tussentijds instromende leerlingen wordt binnen
    6 werkweken een huisbezoek gepland. Tevens worden de ouders van alle instromers na zes tot acht werkweken op school uitgenodigd voor een gesprek om het voorlopige vervolgtraject (middellange termijn) samen vast te stellen


Algemeen

Indien ouders een gesprek op school willen, vindt dit, na afspraak, uiterlijk plaats binnen 14 dagen. Afhankelijk van de vraagstelling zal gekeken worden welke personen hierbij uitgenodigd worden. De mentorleerkracht coördineert dit.

 

 

 

 

 

 

 

 

3.  Pedagogische doelen

 

Het kind dat SBO de Wissel bezoekt heeft veelal problemen op sociaal – emotioneel gebied. Dit varieert van faalangst, gebrek aan zelfvertrouwen tot een emotionele scheefgroei in een problematische thuissituatie. Deze factoren zullen het onderwijskundig leerproces vertragen c.q. belemmeren. Een kind dat een conflict heeft voor of tijdens de rekenles zal van de rekeninstructie weinig of niets opnemen. Het oplossen van deze blokkade is dan een primair vereiste. Het is voor de leerlingen van onze school, om reden van het optimaliseren van het onderwijskundig leerproces, noodzakelijk, dat er expliciet meer gerichte opvoedingsdoelen en methoden worden gehanteerd. Op basis van een goed, duidelijk, consequent en gestructureerd opvoedingsklimaat, is er “open oor” voor de individuele opvoedingsproblemen. De mentor heeft hierin een centrale rol. De sociaal – emotionele ontwikkeling wordt in de leerlingbespreking met de intern begeleider geëvalueerd. Indien het voor het kind nodig is, zal de mentor opvoedingsondersteuning geven aan het gezin. De grenzen van ondersteuning zijn nog niet duidelijk. Specialistische hulp valt in ieder geval buiten de competentie en verantwoordelijkheid van de leerkracht. (Maatschappelijk werk, RIAGG enz.).

 

    Als tijdens een bespreking in de CvB blijkt dat er opvoedingsondersteuning van de mentor noodzakelijk is, zal in deze bespreking de inhoud van de opvoedings-
    ondersteuning worden vastgelegd.

 

Binnen de school zijn de leer- en werksituaties zo ingericht dat ook de opvoedingsdoelen tot hun recht komen, onder andere door:

- verbeteren luisterhouding.

- bevorderen van assertieve houding. (Opkomen voor jezelf zonder de ander pijn te doen.)

- bevorderen van empathisch denken. (Invoelend denken.)

- bevorderen van werkhouding.

- leren samen te spelen.

- leren conflicten op te lossen enz. Met name hier wordt het praatpapier ingezet om de leerling te helpen tot een bewustwordingsbesef  van het probleem te komen  en hem / haar zelf verantwoordelijk te maken voor de oplossing.

- bespreken en omgaan met pestgedrag.

 

Daarnaast creëert de school bewust situaties waarin deze opvoedingsdoelen centraal staan b.v. “de projectweek” (begin schooljaar). De inloopweken met daarin een aantal projectdagen. De sociaal – emotionele ontwikkeling wordt bevorderd door een methodische aanpak via de methode Leefstijl. De ouders worden geïnformeerd over de voortgang.

Het pedagogisch ontwikkelingsproces wordt via observaties bijgehouden in het ontwikkelingsvolgmodel. (Zie onderwijs-kundige doelen).

 

 

 

 

4. Schoolregels

 

De omgangsvormen van onze school zijn vertaald in een aantal algemene schoolregels. Iedere groep heeft daarnaast nog afspraken gemaakt over de specifieke klassenregels.

Algemene schoolregels:

·        We werken, leren en spelen op een manier waarbij iedereen zich prettig voelt.

·        We lopen op de gang en rennen niet.

·        We gaan netjes om met de spulletjes die op school zijn.