7. DOELEN VAN HET ONDERWIJS

 

  1. Levensbeschouwelijk
    De SBO de Wissel is een school die valt onder het bestuur van de Stichting Movare.
    Alhoewel het bestuur van de school een bijzondere grondslag (identiteit) heeft, vormt dit geen enkele belemmering voor de toelating van leerlingen die een andere dan wel geen geloofsovertuiging hebben, daar de school een zorgfunctie heeft voor alle scholen in Landgraaf (katholieke, protestante, openbare e.d.). De godsdienstige levensbeschouwelijke vorming van de school is van algemeen praktische christelijke aard, waarbij ook aandacht wordt besteed aan andere levensbeschouwelijke stromingen.
    Voor ouders die hiermee niet akkoord gaan wordt, in overleg, naar oplossingen gezocht. Het initiatief hiertoe wordt bij de ouders gelegd. Voor de ouders van de katholieke kinderen, die dat wensen, worden deze kinderen voorbereid op de Eerste Heilige Communie en het H. Vormsel. De ouders krijgen bij de eerste Heilige Communie de gelegenheid dit samen te doen, dan wel te kiezen voor de eigen parochie.
    Het H. Vormsel wordt steeds ontvangen in eigen parochie. De ouders en de parochies worden door de school tijdig geïnformeerd over afspraken of data.
    De school beveelt de ouders van de communicantjes in het algemeen aan de kinderen pas de Eerste Heilige Communie te laten ontvangen als zij het lezen enigermate beheersen.

    Onderwijskundig / pedagogisch
    1. Organisatie

    mentorgroepen
    De school is opgebouwd uit mentorgroepen:

 

1. Onderbouw cluster 1
   
* De Spoorzoekertjes        Mevr. M. Haagmans & Mevr. V. v. Bokhoven

    * De Locomotiefjes           Mevr. C. Erkens

2. Middenbouw cluster  2    
    * De Sprinters                   Mevr. D. Diemant & Mevr. N. Reijnders  

             
    * De Vuurpijlen                 Dhr. O. Pauwels

3. Middenbou II cluster 3
    * De Seinwachters            Dhr.  W.v.d.Straten

    * De Ahrenden                  Dhr. G. Kitzen              
 

4. Bovenbouw cluster 4
    * De Koppeling                  Mevr. F. Karolewski      

     
    * De Rangeerders                Dhr. H. Hermans           

De mentorleerkracht is het vaste aanspreekpunt voor kinderen, ouders en andere externen. Hij / zij houdt de rapportbesprekingen en komt op huisbezoek.  In samenwerking met andere leerkrachten en onderwijsassistenten begeleidt hij/zij de kinderen in hun leerproces.


Het hele wel en wee van het kind gaat via de mentorleerkracht die, zo nodig, gesprekken voert met de interne begeleidingscommissie van de school (waarvan de orthopedagoog voorzitter is) en, na afspraak binnen de begeleidingscommissie, met eventuele externe instanties (o.a. Boddaert – RIAGG – vervolgscholen enz.)

Het zal U duidelijk zijn dat we niet hetzelfde klassensysteem hebben als op de basisschool. Om pedagogische redenen kiezen wij voor een indeling

naar leeftijd d.w.z.:
* in de onderbouw (cluster 1)zitten de jongste kinderen


* in de middenbouw - groepen  ( cluster 2) zitten de kinderen die de aanvankelijke leerfase ontgroeid zijn en ouder zijn dan in de  onderbouw.

Het zijn 2 parallelgroepen. Dat wil zeggen dat de leeftijdsopbouw in de groepen nagenoeg gelijk is.

 

* in de middenbouw II (cluster 3) zitten de oudere middenbouwleerlingen en de jongere bovenbouwleerlingen. Hier worden de kinderen op het gebied van zelfstandigheid en werkhouding voorbereid op cluster 4

 

* in de bovenbouw (cluster 4) zijn 2 parallelgroepen, hierin zitten de mogelijke schoolverlaters, die dit jaar of volgend schooljaar de school verlaten.

 

Als een kind het 2e jaar in dezelfde mentorgroep zit, is de leerstof die in de mentorgroep wordt gegeven (wereldoriëntatie, gym, handenarbeid, muziek en verkeer) niet hetzelfde, maar wordt uitgebreid. Dit wil dus niet zeggen dat het kind blijft zitten.
 


Globale dagplanning (Middenbouw I en Bovenbouw)
´s morgens:
- dagopening in mentorgroep (kringgesprek).
- taal / lees- en rekenen


´s middags Creatieve blok:
Les in:
- handenarbeid: tekenen, textiele werkvormen.
- of muziek
- of gymnastiek

´s middags: Blok Wereldoriëntatie, Verkeer en Techniek.
Tijdens de middag op maandag – dinsdag – of donderdag of op woensdagmorgen worden de lessen wereldoriëntatie en verkeer gegeven.

Op vrijdagmiddag is er ruimte voor een weeksluiting.
De mentorleerkracht geeft gedurende de mentortijden zelf les in het vak sociale redzaamheid op woensdagochtend.

Afsluiting:
De dag wordt afgesloten van 14.50 – 15.00 uur in de mentorgroep.


2. Onderwijskundige doelen

   

Bij de onderwijskundige doelstellingen wordt steeds rekening gehouden met de hulpvraag van het kind.  Deze hulpvraag van het kind wordt vastgesteld op basis van de hulpvragen die de ouders, het BAO en de PCL aan de SBO stellen.  Verder wordt uitgegaan van de situatie van de leerling.

 

 

(Hoe is zijn intelligentie, welke zijn de aanknopingspunten? Hoe is de sociale omgeving? enz.)

De gegevens hierover worden verkregen via het Onderwijskundig Rapport van de basisschool (toelating) en desgewenst via aanvullend didactisch onderzoek op de Wissel.

Pedagogisch worden de onderwijskundige doelen gebaseerd op het ontwikkelingsvolgmodel. De leerkracht observeert regelmatig de leerling op het gebied van zelfbesef, zelfstandigheid, zelfredzaamheid, emotioneel welbevinden, relatie met volwassenen en kinderen, omgang met afspraken en regels, spelontwikkeling, samenspel en samenwerken, motivatie en taakgerichtheid.
De school gaat er op basis van een bestaansgerichte visie van uit dat ieder kind in staat is de basisvaardigheden eigen te maken. Op basis van hun mogelijkheden, en vanuit de gegevens verkregen uit de rapportages en observaties, wordt er een schoolloopbaanprognose gemaakt.
De leerlingen worden ingedeeld in drie ontwikkelingsprofielen.

 

Ontwikkelingsprofiel 1:

We schatten in dat het kind in staat wordt geacht bij schoolverlaten de basisvaardigheden te beheersen en daarnaast de stof van groep 3 en 4 van het basisonderwijs grotendeels beheerst.

 

Ontwikkelingsprofiel 2:

We schatten in dat het kind in staat wordt geacht bij schoolverlaten de basisvaardigheden te beheersen en daarnaast de stof van groep 5 en 6 van het basisonderwijs grotendeels beheerst.

 

Ontwikkelingsprofiel 3:

We schatten in dat het kind in staat wordt geacht bij schoolverlaten de basisvaardigheden te beheersen en daarnaast de stof van groep 7 en 8 van het basisonderwijs grotendeels beheerst.

 

De ontwikkelingsprofielen van de leerlingen zijn het uitgangspunt voor de inhoudelijke invulling van het 7 wekelijks groepsplan. Ontwikkelingsprofielen worden jaarlijks geëvalueerd en bijgesteld.

 

Basisvaardigheden zijn:

 

  1. Lezen, taal, rekenen, schrijven
    1. Speerpunt 1: leren lezen op zo hoog mogelijk
        begrijpend niveau.
    2. Streven naar een zo optimaal mogelijk niveau van
        mondelinge taaluiting (gericht je woordje kunnen
        doen: taalvaardig, taalmondig met een zo groot
        mogelijke woordenschat).
    3. Rekenstof en vaardigheid die nodig is om je in de
        maatschappij te handhaven. Zeker optellen en
        aftrekken en liefst ook delen en vermenigvuldigen.
        (Desnoods met telmachine).
    4. Schrijven: techniek schrijven en qua spelling:
        de spellingsbekwaamheid van minimaal een aantal
        basiswoorden en het kunnen schrijven van een
        eenvoudig briefje.
        N.b.: Al naar gelang de mogelijkheden van het kind
        worden die basisvaardigheden uitgebreid.

  2. Speerpunt 2: Sociale vaardigheid, zelfstandigheid, verantwoordelijkheid en emotionele harmonie.
    Hierbij wordt rekening gehouden met genoemde kind- en omgevingskenmerken. We proberen dit aan te leren, via de vakken:
    1. Sociaal – emotionele vorming via de methode
        “Leefstijl”.
    2. Wereldoriëntatie, d.m.v. doe projecten.
        Belangrijke onderwerpen (met “onder liggende”
        inhouden)
        - gemeente (loketten, openbare werken, brandweer,
          weg zoeken etc.
        - communicatie (locale TV, fax, radio, krant etc.)
       
    - wonen (huur,aannemer, tuin etc.)
        - geld (euro, geldautomaat, sparen etc.)
        - werken (solliciteren, uitzendbureau, beroepen etc.)
        - reizen en verplaatsen (reizen, kaart, strippenkaart,
          spoorboekje, dienstregeling etc.)
        - eten en drinken (voeding, restaurant etc.)
        - vrije tijd (hobby’s, verenigingen, spelen etc.)
        - energie (gas,energieverbruik etc.)
        - gezondheidszorg (RIAGG, eerste hulp, Groene
          Kruis) etc.)
        - milieu (afval, vervuiling, natuur etc.)
        - maatschappelijke verschijnselen (koffieshops,
          allochtonen, peuterspeelzalen etc.
    3. Techniek en verzorging. (van computer,
         fietsreparatie tot hygiëne) o.a. de methode
         “Technokist”.
    4. Verkeer (verkeersbekwaam maken)( de methode
         “Wijzer door het verkeer”.
    5. Handenarbeid / tekenen. De methode “Moet je doen”
    6. Lichamelijke opvoeding en zwemmen.
    7. Dramatische expressie. De methode “moet je doen”.

 

Naast de basisvaardigheden worden de leerlingen met meer mogelijkheden in staat gesteld hun eigen optimaal leerniveau te bereiken. Dit gebeurt door uitbreidings- en verdiepingsstof. De leerkrachten streven ernaar gedifferentieerde instructie te geven, waardoor de leerling les krijgt op zijn niveau en tempo en in staat  gesteld wordt zijn eindniveau te bereiken. Daar de school buiten opvang van de zorgkinderen, die in het basisonderwijs Landgraaf onvoldoende aangepast onderwijs kunnen krijgen, ook als doel heeft, via een actief terugplaatsingsbeleid, kinderen verantwoord terug te leiden naar het BAO (basis onderwijs), vindt er jaarlijks binnen de school een inventarisatie plaats.
In samenspraak met betreffende ouders en ontvangende basisscholen kan dit leiden tot terugplaatsing in het BAO.
In overleg met het BAO is dit vastgelegd in een procedure (verkrijgbaar op de Wissel).

 

De leerkrachten plannen hun werkzaamheden en wijze van aanpak in het groepsplan. In het groepsplan wordt voor iedere leerling ingevuld hoe de basisvaardigheden ontwikkeld worden, rekening houdend met het ontwikkelingsprofiel en de behoeften van het kind.
Welke ondersteuning en instructiebehoeften heeft het kind nodig. Het groepsplan omvat steeds periodes van 7 weken. Na iedere periode wordt geëvalueerd en vindt een bijstelling plaats.
In het groepsplan staat dus de handelingsplanning van de leerlingen in de groep. Alle leerlingen van onze school zijn met een speciale hulpvraag geplaatst. De inrichting van de school, het pedagogisch klimaat en pedagogisch ontwikkelingsmodel komen naast de gekozen werkwijze en gehanteerde methodieken grotendeels tegemoet aan de diverse hulpvragen.
Hulpvragen van de leerlingen moeten binnen de groep aandacht krijgen. De planning hiervan komt, zoals vermeld, tot uitdrukking in het groepsplan. De leerkrachten worden gecoacht door de intern begeleider. Als de problematiek van de leerling de coachingsmogelijkheden van de intern begeleider overstijgt moet hulp worden gezocht bij de begeleidingscommissie bestaande uit: orthopedagoog – jeugdarts – maatschappelijk werker en intern begeleider.

Voor deze leerlingen wordt een individueel handelingsplan gemaakt.

 

Evaluaties vinden regelmatig plaats via:

  1. Leerlingenbespreking
    Minimaal 2 keer per jaar bespreekt de mentorleerkracht, de resultaten van de groepsplannen met de onderwijskundige schoolvorderingen en de ontwikkelingslijnen van de leerlingen met de intern begeleider van onze school.
    Afspraken worden vastgelegd en geëvalueerd.
    De mentorleerkracht brengt desbetreffende begeleiders en ouders op de hoogte van de afspraken en heeft buiten de coördinerende ook een bewakende functie. Indien de problematiek te groot is, wordt de leerling besproken in de begeleidingscommissie.
    Van deze leerlingen wordt, zoals vermeld, een individueel handelingsplan opgesteld.

  2. Rapporten
    De kinderen ontvangen 2x per jaar een rapport. De rapporten geven inzicht in de pedagogische ontwikkeling en inhoudelijke leerstapjes die het kind maakt. Voordat de kinderen de rapporten ontvangen worden de ouders uitgenodigd voor een 20 minuten gesprek met de mentorleerkracht.
    Het rapport wordt pas uitgereikt nadat het gesprek heeft plaatsgevonden. Halverwege het jaar tussen rapport 1 en 2 worden de ouders geïnformeerd over de vorderingen van hun kind m.b.t. taal / lezen en rekenen. De werkjes en schriften worden mee naar huis gegeven. U kunt hierna, indien U wenst, een afspraak maken voor een gesprek met de instructieleerkracht taal / lezen of rekenen of in de onderbouw met de mentorleerkracht. (Afspraken met deze leerkrachten over specifieke lees-, taal- of rekenproblemen kunnen overigens ook gedurende het jaar plaatsvinden.)

    Voor het weergeven van de resultaten maken de leerkrachten gebruik van de landelijk gehanteerde en genormeerde Cito – toetsen.

  3. Kijk – ochtenden
    De ouders van de leerlingen die in de onderbouw zitten (leerlingen die bezig zijn met kleuteraspecten en aanvankelijk lezen, taal en rekenen) kunnen gedurende het schooljaar uitgenodigd worden een morgen de lessen te komen bezoeken. Na deze morgen beantwoordt de desbetreffende leerkracht vragen van de ouders aangaande aanpak en vorderingen van hun kind. De ouders van leerlingen uit de andere groepen kunnen eveneens een morgen de lessen bezoeken. Het initiatief hiertoe moet echter door de ouders zelf genomen worden.

  4. Huisbezoeken
    iedere mentorleerkracht brengt één keer per jaar, na afspraak, een huisbezoek bij de ouders van voor hem / haar nieuwe leerlingen. Het bezoek vindt plaats vóór Kerstmis. Tijdens dit huisbezoek zijn de ouders in de gelegenheid al hun vragen aangaande hun kind te bespreken. De mentorleerkracht maakt notities van dit gesprek en brengt desgewenst de besproken zaken ter sprake in de leerlingbespreking of bij de desbetreffende instructieleerkracht. Daarnaast kunnen de eventuele hulpvragen van ouders aanleiding geven tot aanpassing van de ondersteunings- of instructiebehoefte van het kind.
    Bij tussentijds instromende leerlingen wordt binnen
    6 werkweken een huisbezoek gepland.

Algemeen

Indien ouders een gesprek op school willen, vindt dit, na afspraak, uiterlijk plaats binnen 14 dagen. Afhankelijk van de vraagstelling zal gekeken worden welke personen hierbij uitgenodigd worden. De mentorleerkracht coördineert dit.

 

 

 

 

 

 

 

 

3.  Pedagogische doelen

 

    Het kind dat SBO de Wissel bezoekt heeft veelal problemen op sociaal – emotioneel gebied. Dit varieert van faalangst, gebrek aan zelfvertrouwen tot een emotionele scheefgroei in een problematische thuissituatie. Deze factoren zullen het onderwijskundig leerproces vertragen c.q. belemmeren. Een kind dat een conflict heeft voor of tijdens de rekenles zal van de rekeninstructie weinig of niets opnemen. Het

    oplossen van deze blokkade is dan een primair vereiste. Het is voor de leerlingen van onze school, om reden van het optimaliseren van het onderwijskundig leerproces, noodzakelijk dat er expliciet meer gerichte opvoedingsdoelen en methoden worden gehanteerd. Op basis van een goed, duidelijk, consequent en gestructureerd opvoedingsklimaat, is er “open oor” voor de individuele opvoedingsproblemen. De mentor heeft hierin een centrale rol. De sociaal – emotionele ontwikkeling wordt geëvalueerd in de leerlingbespreking met de intern begeleider. Indien het voor het kind nodig is zal de mentor opvoedingsondersteuning geven aan het gezin. De grenzen van ondersteuning zijn nog niet duidelijk.
    Specialistische hulp valt in ieder geval buiten de  verantwoordelijkheid van de leerkracht. (Maatschappelijk  werk, RIAGG enz.). Als na een bespreking in de begeleidingscommissie blijkt dat er  opvoedingsondersteuning van de mentor noodzakelijk is,  zal in deze bespreking de inhoud van de opvoedingsondersteuning worden vastgelegd.

 

 

 

Binnen de school zijn de leer- en werksituaties zodanig ingericht dat ook de opvoedingsdoelen tot hun recht komen,

onder andere door:

- verbeteren luisterhouding.

- bevorderen van assertieve houding. (Opkomen voor jezelf

  zonder de ander pijn te doen.)

- bevorderen van empathisch denken. (Invoelend denken.)

- bevorderen van werkhouding.

- leren samen te spelen.

- leren conflicten op te lossen enz. Met name hier wordt het

  praatpapier gehanteerd om de leerling tot een

  bewustwordingsbesef te laten komen aangaande het

  probleem en hem / haar zelf verantwoordelijk te maken voor
  de oplossing.

- bespreken en omgaan met pestgedrag.

Daarnaast creëert de school bewust situaties waarin deze opvoedingsdoelen centraal staan b.v. het schoolkamp en de projectdagen (begin schooljaar).

De sociaal – emotionele ontwikkeling wordt bevorderd door een methodische aanpak via de methode Leefstijl. De ouders worden geïnformeerd over de voortgang.

Het pedagogisch ontwikkelingsproces wordt via observaties bijgehouden in het ontwikkelingsvolgmodel. (Dit is vermeld in deze schoolgids bij de onderwijskundige doelen.

 

 

 

 

 

 

4. Schoolregels

 

De doelen van het onderwijs zijn ingebed in een aantal algemene schoolregels. Iedere groep heeft daarnaast nog afspraken gemaakt over de specifieke klassenregels.

Algemene schoolregels:

·        We werken, leren en spelen op een manier waarbij iedereen zich prettig voelt.

·        We lopen op de gang en rennen niet.

·        We gaan netjes om met de spulletjes die op school zijn.