7. DOELEN VAN HET ONDERWIJS
1. Onderbouw cluster 1
* De Spoorzoekertjes Mevr. M. Haagmans & Mevr. V. v. Bokhoven
2. Middenbouw cluster 2
* De Locomotiefjes Mevr. C. Erkens
* De Sprinters Mevr. N. Jägers
* De Vuurpijlen Dhr. O. Pauwels
3. Middenbouw/Bovenbouw cluster 3
* De Seinwachters Dhr. W.v.d.Straten & LIO leerkracht J. Logister
* De Ahrenden Dhr. G. Kitzen
4. Bovenbouw cluster 4
* De Koppeling
Mevr. F. Karolewski & Mevr. S. Crijns
* De Rangeerders
Dhr. H. Hermans
De mentorleerkracht is het vaste aanspreekpunt voor kinderen, ouders en
andere externen. Hij / zij houdt de rapportbesprekingen en komt op huisbezoek. In samenwerking met andere leerkrachten en onderwijsassistenten
begeleidt hij/zij de kinderen in hun leerproces.

Het welbevinden van het kind
ligt in de handen van de mentorleerkracht die, zo nodig, gesprekken voert met de
Commissie van Begeleiding (CvB) van de school (waarvan de orthopedagoog voorzitter is) en,
na afspraak binnen de Commissie van Begeleiding (CvB), met eventuele externe instanties (o.a.
Bureau Jeugdzorg – Boddaert - RIAGG – vervolgscholen enz.)
Op onze school hebben we niet het jaarklassensysteem zoals op de
basisschool. Om pedagogische redenen kiezen wij voor een indeling
naar leeftijd d.w.z.:
* In de onderbouw (cluster 1)zitten de jongste kinderen
* In de middenbouw - groepen ( cluster 2) zitten de kinderen
die in de aanvankelijke en de fase van van het voortgezet leren zijn.
Het zijn 3 parallelgroepen. Dat wil zeggen dat de leeftijdsopbouw in de groepen nagenoeg gelijk is.
* In de middenbouw/bovenbouw (cluster 3) zitten de oudere middenbouwleerlingen en de jongere bovenbouwleerlingen. Hier worden de kinderen op het gebied van zelfstandigheid en werkhouding voorbereid op cluster 4. Het zijn twee parallelgroepen.
* In de bovenbouw (cluster 4) zijn 2 parallelgroepen, hierin zitten de mogelijke schoolverlaters, die dit jaar of volgend schooljaar de school verlaten.
Als een kind het 2e
jaar in dezelfde mentorgroep zit, betekent dit dus niet dat het kind blijft
zitten. Bij taal, lezen, rekenen gaan we verder waar het kind gebleven is. Bij
de overige vakken (wereldoriëntatie, gym, handenarbeid, muziek en verkeer) wordt
de leerstof uitgebreid
Globale dagplanning
´s morgens:
- dagopening in mentorgroep (kringgesprek).
- taal / lees- en rekenen binnen het cluster
- cluster 1&2 heeft voor de middag muziek
´s middags
de creatieve blok:
Les in:
- handenarbeid: tekenen, textiele werkvormen.
- of muziek
- of gymnastiek
´s middags: Blok Wereldoriëntatie, Verkeer en Techniek.
Tijdens de middag op maandag – dinsdag – of donderdag
woensdag is
mentordag, deze dag is er extra aandacht voor het vak sociale redzaamheid (Leefstijl)
Afsluiting:
De dag wordt afgesloten van 14.50 – 15.00 uur in de mentorgroep.

2. Onderwijskundige doelen
Bij de onderwijskundige doelstellingen wordt steeds rekening gehouden met de hulpvraag van het kind. Deze hulpvraag van het kind wordt vastgesteld op basis van de hulpvragen die de ouders, het BAO en de PCL aan de SBO stellen. Verder wordt uitgegaan van de situatie van de leerling.
(Hoe is zijn intelligentie, welke zijn de aanknopingspunten? Hoe is de sociale omgeving? enz.)
De gegevens hierover worden verkregen via het Onderwijskundig Rapport van de basisschool (toelating) en desgewenst via aanvullend didactisch onderzoek op de Wissel.
Pedagogisch worden de onderwijskundige doelen gebaseerd op
het ontwikkelingsvolgmodel. De leerkracht observeert regelmatig de leerling op
het gebied van zelfbesef, zelfstandigheid, zelfredzaamheid, emotioneel
welbevinden, relatie met volwassenen en kinderen, omgang met afspraken en regels,
spelontwikkeling, samenspel en samenwerken, motivatie en taakgerichtheid.
De school gaat er op basis van een bestaansgerichte visie van uit dat ieder
kind in staat is de basisvaardigheden eigen te maken. Op basis van hun
mogelijkheden, en vanuit de gegevens verkregen uit de rapportages en observaties,
wordt er een schoolloopbaanprognose gemaakt.
De leerlingen worden ingedeeld in drie ontwikkelingsprofielen.
Ontwikkelingsprofiel 1:
We schatten in dat het kind in staat wordt geacht bij schoolverlaten de basisvaardigheden te beheersen en daarnaast de stof van groep 3 en 4 van het basisonderwijs grotendeels beheerst.
dit profiel is sterk praktijkgeoriënteerd
Ontwikkelingsprofiel 2:
We schatten in dat het kind in staat wordt geacht bij schoolverlaten de basisvaardigheden te beheersen en daarnaast de stof van groep 5 en 6 van het basisonderwijs grotendeels beheerst.
Ontwikkelingsprofiel 3:
We schatten in dat het kind in staat wordt geacht bij schoolverlaten de basisvaardigheden te beheersen en daarnaast de stof van groep 7 en 8 van het basisonderwijs grotendeels beheerst.
De ontwikkelingsprofielen van de leerlingen zijn het uitgangspunt voor de inhoudelijke invulling van het 7 wekelijks groepsplan. Ontwikkelingsprofielen worden jaarlijks geëvalueerd en bijgesteld.
Bij kinderen van cluster 1 en 2 maken we een inschatting van de ontwikkeling bij doorstromen naar cluster 3.
Bij kinderen van cluster 3 en 4 maken we een inschatting van de ontwikkeling bij uitstroom.
Basisvaardigheden zijn:
Naast de basisvaardigheden worden de leerlingen met
meer mogelijkheden in staat gesteld hun eigen optimaal leerniveau te bereiken.
Dit gebeurt door uitbreidings- en verdiepingsstof. De leerkrachten streven
ernaar gedifferentieerde instructie te geven, waardoor de leerling les krijgt op
zijn niveau en tempo en in staat gesteld
wordt zijn eindniveau te bereiken. Daar de school buiten opvang van de
zorgkinderen, die in het basisonderwijs Landgraaf onvoldoende aangepast
onderwijs kunnen krijgen, ook als doel heeft, via een actief
terugplaatsingsbeleid, kinderen verantwoord terug te leiden naar het BAO
(basis onderwijs), vindt er jaarlijks binnen de school een inventarisatie plaats.
In samenspraak met betreffende ouders en ontvangende basisscholen kan dit leiden
tot terugplaatsing in het BAO.
In overleg met het BAO is dit vastgelegd in een procedure (verkrijgbaar op de
Wissel).
De leerkrachten plannen hun werkzaamheden en wijze van
aanpak in het groepsplan. In het groepsplan wordt voor iedere leerling ingevuld
hoe de basisvaardigheden ontwikkeld worden, rekening houdend met het
ontwikkelingsprofiel en de behoeften van het kind.
Welke ondersteuning en instructiebehoeften heeft het kind nodig. Het groepsplan
omvat steeds periodes van 7 weken. Na iedere periode wordt geëvalueerd en vindt
een bijstelling plaats.
In het groepsplan staat dus de handelingsplanning van de leerlingen in de groep.
Alle leerlingen van onze school zijn met een speciale hulpvraag geplaatst. De
inrichting van de school, het pedagogisch klimaat en pedagogisch
ontwikkelingsmodel komen naast de gekozen werkwijze en gehanteerde methodieken
grotendeels tegemoet aan de diverse hulpvragen.
Hulpvragen van de leerlingen moeten binnen de groep aandacht krijgen. De
planning hiervan komt, zoals vermeld, tot uitdrukking in het groepsplan. De
leerkrachten worden gecoacht door de intern begeleider. Als de problematiek van
de leerling de coachingsmogelijkheden van de intern begeleider overstijgt moet
hulp worden gezocht bij de begeleidingscommissie bestaande uit: orthopedagoog
– jeugdarts – maatschappelijk werker en intern begeleider.
Voor deze leerlingen wordt een individueel plan gemaakt.
Evaluaties vinden regelmatig plaats via:
De kinderen ontvangen 2x per
jaar een rapport. De rapporten geven inzicht in de pedagogische ontwikkeling
en de inhoudelijke leerstapjes die het kind maakt. Voordat de kinderen de
rapporten ontvangen worden de ouders uitgenodigd voor een 20 minuten gesprek
met de mentorleerkracht.
Het rapport wordt pas uitgereikt nadat het gesprek heeft plaatsgevonden.
Halverwege het jaar bij de bespreking van rapport 1 worden de ouders
geïnformeerd over de vorderingen van hun kind m.b.t. taal / lezen en rekenen
en de overige vakgebieden.
Algemeen
Indien ouders een gesprek op school willen, vindt dit, na afspraak, uiterlijk plaats binnen 14 dagen. Afhankelijk van de vraagstelling zal gekeken worden welke personen hierbij uitgenodigd worden. De mentorleerkracht coördineert dit.

3. Pedagogische
doelen
Het kind dat SBO de Wissel bezoekt heeft veelal problemen op sociaal – emotioneel gebied. Dit varieert van faalangst, gebrek aan zelfvertrouwen tot een emotionele scheefgroei in een problematische thuissituatie. Deze factoren zullen het onderwijskundig leerproces vertragen c.q. belemmeren. Een kind dat een conflict heeft voor of tijdens de rekenles zal van de rekeninstructie weinig of niets opnemen. Het oplossen van deze blokkade is dan een primair vereiste. Het is voor de leerlingen van onze school, om reden van het optimaliseren van het onderwijskundig leerproces, noodzakelijk, dat er expliciet meer gerichte opvoedingsdoelen en methoden worden gehanteerd. Op basis van een goed, duidelijk, consequent en gestructureerd opvoedingsklimaat, is er “open oor” voor de individuele opvoedingsproblemen. De mentor heeft hierin een centrale rol. De sociaal – emotionele ontwikkeling wordt in de leerlingbespreking met de intern begeleider geëvalueerd. Indien het voor het kind nodig is, zal de mentor opvoedingsondersteuning geven aan het gezin. De grenzen van ondersteuning zijn nog niet duidelijk. Specialistische hulp valt in ieder geval buiten de competentie en verantwoordelijkheid van de leerkracht. (Maatschappelijk werk, RIAGG enz.).
Als
tijdens een bespreking in de CvB blijkt dat er opvoedingsondersteuning van de
mentor noodzakelijk is, zal in deze bespreking de inhoud van de opvoedings-
ondersteuning worden vastgelegd.
Binnen de school zijn de leer- en werksituaties zo ingericht dat ook de opvoedingsdoelen tot hun recht komen, onder andere door:
- verbeteren luisterhouding.
- bevorderen van assertieve houding. (Opkomen voor jezelf zonder de ander pijn te doen.)
- bevorderen van empathisch denken. (Invoelend denken.)
- bevorderen van werkhouding.
- leren samen te spelen.
- leren conflicten op te lossen enz. Met name hier wordt het praatpapier ingezet om de leerling te helpen tot een bewustwordingsbesef van het probleem te komen en hem / haar zelf verantwoordelijk te maken voor de oplossing.
- bespreken
en omgaan met pestgedrag.
Daarnaast creëert de school bewust situaties waarin deze opvoedingsdoelen centraal staan b.v. “de projectweek” (begin schooljaar). De inloopweken met daarin een aantal projectdagen. De sociaal – emotionele ontwikkeling wordt bevorderd door een methodische aanpak via de methode Leefstijl. De ouders worden geïnformeerd over de voortgang.
Het pedagogisch ontwikkelingsproces wordt via observaties bijgehouden in het ontwikkelingsvolgmodel. (Zie onderwijs-kundige doelen).
4. Schoolregels
De omgangsvormen van onze school zijn vertaald in een aantal algemene schoolregels. Iedere groep heeft daarnaast nog afspraken gemaakt over de specifieke klassenregels.
Algemene schoolregels:
· We werken, leren en spelen op een manier waarbij iedereen zich prettig voelt.
· We lopen op de gang en rennen niet.
· We gaan netjes om met de spulletjes die op school zijn.